maandag 12 september 2011

zelfportret(?)

Tegenover mij in de trein zit een jongen,
hij lijkt op mij...
of toch een beetje,
ik nam een foto van zijn reflectie in het treinvenster.
Hij kijkt niet op naar me.

Amsterdam


Zacht zie je scheepjes in de grachten golven
zonder zorgen de stad door
bladgroen gaat over in geel en grijs verbergt het blauw
geen bergen in deze stad , de enige bergen zijn hier bruggen als lage heuvels over grachten in diepte onbepaald maar zijarmen reiken tot in verre stegen
een zwaan schikt zijn witte vederenkleed, het kleurt lichtjes roze
niet zeker  of het  de avond reeds is die de dag overvalt
of de nacht de ochtend niet losliet , sommige gordijnen sloten zich reeds andere waaien open en bloot naar je in een koele septemberwind

9/9/’11 Amsterdam

donderdag 17 maart 2011

| 99 | morgenvroeg >

Er valt een wimper op mijn papier en ik blaas ze eraf.
Er werd in de ogen gewreven door handen onder de inkt.
Als er iets niet genoeg gezegd werd dan was het wel , dat letterloos woord.

Negenennegentig keer ademen en dan in slaap vallen en weer wakker schrikken van dat vallen.
Schapen kijken je beroerd aan en grazen om je heen.
Eentje heeft een zwarte vlek op zijn rug. Uniek in zijn kudde als een inktvlek op een vel papier waar geen, of nog geen woord op staat. Even verderop staat er een herder die naar een wegwijzer wijst.






De zwarte vlek wordt een kraai, nee , hij is te klein voor een kraai, merels hebben gele snavels, dus dat moet het wel zijn . Hij zoekt naar rupsen die sprekend op wormen gelijken. Volgens een oud merelsgeloof geven deze krachten om ter plaatsen te kunnen fladderen , zoals vlinders en kolibries dat kunnen!

Contouren worden plots vetter en worden begrenzingen. De schapen worden groen en hun pootjes stammetjes van lage struikjes.
Te veel groen maakt je onrustig en doet bloed in je aderen agressiever stromen, naar vingertoppen en andere ledematen en ook je oren gloeien rood op.

Drie, twee, een, ... , een, twee, drie, ...

dinsdag 30 november 2010

Nachtpauwoog

Rondom de lantaarns in het park.

Net buiten het bereik van het licht.

Zwermen als leden van een sekte van mannelijke nachtvlinders,

Met pauwogen op hun open vleugels verleiden ze jongere soortgenoten in een dans langs lantarenpaal omhoog.

Als in trance danst een zenuwachtig duo

Dichter richting ’t licht en worden té licht, worden opgeslokt in negatief,
wit wordt zwart

als twee witte lichtwezentjes in een donker vlak
in een claustrofobische eenwording.

Té zwaar,

Oververhit. Witheet.

Naar beneden vallend

vang ik ze op, ze gloeien na, ze flikkeren nog, hun kleuren schiften tot ze rillend normaliseren en hun vleugels dichtdoen.

Ik blaas ze koelte toe en ze verliezen stof, wat van hun kleur, op mijn hand.

Gekwetst. Ze wankelen mijn middelvinger op en vallen half, fladderen dan richting een donker hoekje weg.

Ik dwaal verder langs het parkpad, mijn blik is strak en naar de lichtpunten boven mij gericht.

Als langs vuurtorens vaar ik veilig langs de rotsen weg terug naar een rustige avondhaven.  

zaterdag 25 september 2010

Ik doorklief rotsen en steen
tunnelend over ijzer
zweef ik over de onder mij meanderende
rivier, rechtdoor over onderdoor slingerend
langsheen Ardeens dorpje met
kerkje zoals je ze in elk Waals dorpje
wel een replica van ze hebt staan, maar je
gelooft dat dit het originele is.

Ik kijk doorheen druppels naar een
omgekeerde wereld waar grijze grond tegen
een bruin groene lucht afsteekt, zo ook steken
de kerktorentjes , modern uit jaren'70
of eeuwig hetzelfde
uit tijden van verloren geloof (uit de lucht omlaag).

Vandaag geloof ik in regen , doorheen druppels op het venster als beeltenis van de hemel op aarde. 

vrijdag 3 september 2010

Het verdronken land van België

De koning is moe, koning te zijn
hij wil toch zo graag op vakantie
want het regent en de hemel is al meer
dan twee maanden grijzer dan zijn haar.

De koningin is het moe en
heur haar wordt te stoffig
van te lang binnen zitten wachten
op haar koninklijke coiffeur.

"Als't stopt met regenen ,
zal ik stoppen met regeren" smeekte de koning.
Het land der drenkelingen was reeds verzonken.

3 september 2010 - Preformateur Di Rupo gaat
weder-of-geen-wederom naar de koning om meer regen vragen.

donderdag 26 augustus 2010

Westenwind

Al staand op't eind van het staketsel (dichter dan dat geraak ik niet bij jou) laat ik hem in mijn oren ruisen.

Ik roep je naam naar de wind en vroeg hem dan al fluisterend de klanken mee te voeren,
transatlantisch ver,
tot tussen die hoge muren met honderden vensters.

Afgezwakt wiegen de klanken
als op vertrouwde golven
je galioen naar je droom
zacht door die metropolische nachten in dat bolwerk van westerse beschaving.

Ik zou je naam in de wind roepen en dan de klanken laten meedrijven tot ze je bereiken,
maar de wind waait naar het oosten
waar ik weldra eens heenga, de wolken achterna, transcontinentaal.


't gaat je voor de wind... dat hoorde ik in 't ruisen.

dinsdag 24 augustus 2010

Wolkenwaterspiegel

Overdreven wolken dreven
in hoeveelheid
droog over mijn hoofd
en jij keek naar mijn hoofd
jij las mijn houding
DROMER
jij droeg in je hand een emmer
WATER
mijn ogen daalden en in een beweging ging
mijn mentale fotocamera
beeld achter beeld
een kortfilm draaien
DROGER
jij doofde je sigaret in je emmer
ROKER
rimpeloosss(uitge)sssist
de wolken(waterspiegel)
droegen heel vlug de wind
en de geïnhaleerde warmtewolk
uit in mijn gezicht.

maandag 16 augustus 2010

Safari

We dreven door de stad...
rondom ons witte bootje dansen de meeuwen op de lichtjes kolkende grachten
"ze lachen" zei ze me
"meeuwen zijn heel gemene vogels" zei ik tegen mezelf
ze keek op van haar verdwaalde blik en met haar hoofd schuddend dacht ze

woordenloos over hoe ze bewogen en de vleugels de lucht naar het water toe duwend en golven makend en de wolken doen kolken en
kijk
ze bewogen naar hoe ze dacht dat ze bewogen
magisch synchroon
en ze vlogen over haar heen naar boven, over de hoofden aan wal tot over trapgevels
tot nog hoger ze maar een puntje meer waren , zoals het zwarte puntje op hun snavel

zij werd ook voor hen een detail

er valt lichte motregen
ze opende haar paraplu en de lucht werd zwart
een zwart rondje op een witte snavel op het water

Eerder :

een platgereden meeuw naast een pakje friet op een parkingplaats
werd aasgierig door een soortgenoot verorberd als wansmakelijk middagmaal

Later :

we dreven verder tussen de meeuwen
alsof op safari
meeuwen werden plots de leeuwen
en ze lachen , zei ze ,
en ze doen kunstjes in de lucht

dinsdag 1 juni 2010

De man zonder pleinvrees

Dronken danst de dwaas de zondag op het plein
De vlakke zon staat hoog ’t, alcohol promille kokend
Als een reuze zonnewijzer peilt de kerk torenhoog
boven deze dagdroge droomdrager

Wijs wilt hij wijsvingerig terugwijzen naar daar wat bovenhoofden gouden haan gekraaid heeft
maar waar arm de pint te hoog tilde daar wees hij
(daar de zwaartekracht hem te machtig)
waar de lange slagschaduw geworpen de straatstenen bekoelde

Geen pater heeft nooit zulk een kater
maar ontnuchterd en geworpen als een gelaten gek lam
aanstellerig op stuntelige stelten
danst hij op zijn stukgesmeten lantaren scherven
dolend doelloos
spelend met zijn slagschaduwspel

Elke poging tot vallen mislukt
elke neerwaartse beweging steeds opgenomen in een opwaartse,
die de borstkas pompende opdrukt
alsof een dronkkenmansritueel daar de zon smeekt om hem te verdampen!

Paserend, richten schuddend passanten hun hoofden omhoog
er passeert een wolkenkasteel
alleen wie wil, ziet dat torenkanteel
en aldaar houdt de nar zijn betoog.